Handboek Annuleren

Lijnen en vormen omvormen

 

Punten met het gereedschap Subselectie aanpassen en weergeven

  1. Selecteer het gereedschap Subselectie .
  2. Klik op de lijn- of vormcontour.

Een lijn of vorm omvormen

Wanneer u een lijn- of vormcontour wilt omvormen, sleept u een punt op een lijn met het gereedschap Selecteren. De aanwijzer wijzigt om aan te geven welk type omvorming op de lijn of vulling kan worden toegepast.

Animate past de curve van het lijnsegment aan de nieuwe positie van het verplaatste punt aan. Als het verplaatste punt een eindpunt is, wordt de lijn verlengd of verkort. Wanneer het punt waarvan de positie is gewijzigd een hoek is, blijven de segmenten die de hoek vormen recht maar worden ze langer of korter.

Wanneer een hoek naast de aanwijzer wordt weergegeven, kunt u een eindpunt wijzigen. Wanneer een curve naast de aanwijzer wordt weergeven, kunt u een curve aanpassen.

U kunt een aantal gebieden met penseelstreken makkelijker omvormen als u ze als contouren weergeeft.

Als u problemen hebt met het omvormen van een complexe lijn, kunt u het vloeiend maken door een aantal van de details te verwijderen. Hierdoor kunt u de lijn makkelijker omvormen. U kunt het omvormen ook makkelijker en meer accuraat maken door de vergroting te verhogen.

  1. Selecteer het gereedschap Selecteren .
  2. Ga als volgt te werk:
    • Sleep vanaf een punt om het segment om te vormen.

    • Als u een lijn wilt slepen om een nieuw hoekpunt te maken, klikt u terwijl u de Ctrl-toets (Windows) of Option-toets (Macintosh) ingedrukt houdt.

Lijnen rechttrekken en vloeiend maken

Wanneer u lijnen en curven rechttrekt, worden kleine aanpassingen gemaakt aan de lijnen en curven die u al hebt getekend. Het heeft geen effect op segmenten die al recht zijn.

 U kunt de mate waarin de lijn- en vormcontouren automatisch vloeiend worden gemaakt en worden rechtgetrokken aanpassen door voorkeuren voor tekeninstellingen op te geven.

Als u Animate vormen wilt laten herkennen, gebruikt u de techniek voor rechttrekken. Wanneer u een ovaal, rechthoek of driehoek tekent met de optie Vormen herkennen uitgeschakeld, kunt u de optie Rechttrekken gebruiken om de vormen geometrisch juist te maken. Vormen die elkaar raken en dus met andere elementen zijn verbonden, worden niet herkend.

De optie Vormherkenning zet de bovenste vormen om in de onderste.

Het vloeiend maken maakt curven gladder en vermindert grijsstructuren en andere variaties in de globale richting van de curve. Hierdoor wordt het aantal segmenten in een curve ook verminderd. Het vloeiend maken is echter relatief en heeft geen effect op rechte segmenten. Het is met name nuttig wanneer u moeite hebt met het omvormen van een aantal zeer korte gekromde lijnsegmenten. Door alle segmenten te selecteren en vloeiend te maken wordt het aantal segmenten verminderd, waardoor een gladdere curve ontstaat die u makkelijker kunt omvormen.

Wanneer u het vloeiend maken en rechttrekken meerdere keren toepast, wordt elk segment vloeiender en rechter, afhankelijk van hoe krom of recht het segment oorspronkelijk was.

  • Als u de curve van elke geselecteerde streek vloeiend wilt maken, selecteert u het gereedschap Selecteren en klikt u op de optie Vloeiend in de sectie Opties van het deelvenster Gereedschappen. Met elke klik op de knop Vloeiend wordt de geselecteerde streek geleidelijk vloeiender.

  • Als u specifieke parameters wilt opgeven voor het vloeiend maken, kiest u Wijzigen > Vorm > Vloeiend. Geef in het dialoogvenster Vloeiend waarden op voor de verschillende parameters.

  • Als u op elke geselecteerde contourvulling of gekromde lijn kleine aanpassingen wilt maken met rechttrekken, selecteert u het gereedschap Selecteren en klikt u op de optie Rechttrekken in de sectie Opties van het deelvenster Gereedschappen.

  • Als u specifieke parameters wilt opgeven voor het rechttrekken, kiest u Wijzigen > Vorm > Rechttrekken. In het dialoogvenster Rechttrekken voert u een waarde in voor de parameter voor Sterkte van rechttrekken.

  • Selecteer het gereedschap Selecteren om Vormherkenning te gebruiken en klik op de optie Rechttrekken of selecteer Wijzigen > Vorm> Rechttrekken.

Curven optimaliseren

Optimaliseren maakt curven vloeiend door gekromde lijnen en vulcontouren te verfijnen, waardoor het aantal curven dat wordt gebruikt om deze elementen te definiëren, vermindert. Het optimaliseren van curven verkleint ook de grootte van het Flash Professional-document (FLA-bestand) en de geëxporteerde Animate-toepassing (SWF-bestand). Pas optimalisatie meerdere keren op hetzelfde element toe.

  1. Selecteer de getekende elementen die moeten worden geoptimaliseerd en selecteer Wijzigen > Vorm > Optimaliseren.
  2. Als u de mate van vloeiendheid wilt opgeven, sleept u de schuifregelaar Optimalisatiesterkte. De resultaten hangen af van de geselecteerde curven. In het algemeen worden er bij het optimaliseren minder curven gemaakt, waardoor de gelijkenis met de oorspronkelijke contour kleiner wordt.
  3. Als u een bericht wilt weergeven waarin het aantal segmenten in de selectie voor en na de optimalisatie wordt vermeld, selecteert u de optie Bericht met totalen weergeven. In Animate wordt het bericht weergegeven nadat de bewerking is voltooid.

  4. Klik op OK.

Vormen wijzigen

  1. Als u lijnen in vullingen wilt omzetten, selecteert u een lijn of meerdere lijnen en selecteert u Wijzigen > Vorm > Lijnen omzetten in vullingen. Geselecteerde lijnen worden omgezet in gevulde vormen, waardoor u lijnen met verloop kunt vullen of een deel van een lijn kunt wissen. Het omzetten van lijnen in vullingen kan bestanden groter maken, maar kan ook het tekenen voor sommige animaties verbeteren.
  2. Als u de vorm van een gevuld object wilt uitbreiden, selecteert u een gevulde vorm en selecteert u Wijzigen > Vorm > Vulling uitbreiden. Voer een waarde in pixels in voor Afstand en selecteer Uitbreiden of Inkrimpen bij Richting. Uitbreiden vergroot de vorm en Inkrimpen verkleint de vorm.

    Deze functie werkt het best op een enkele, kleine, gevulde kleurvorm zonder streek, die niet veel kleine details bevat.

  3. Als u de randen van een object wilt verzachten, selecteert u een gevulde vorm en selecteert u Wijzigen > Vorm > Opvulranden verzachten. Stel de volgende opties in:

    Afstand

    De breedte in pixels van de zachte rand.

    Aantal stappen

    Hiermee wordt bepaald hoeveel curven worden gebruikt voor het verzachten van de rand. Hoe meer stappen u gebruikt, hoe vloeiender het effect is. Wanneer u het aantal stappen verhoogt, worden bestanden groter en gaat het tekenen langzamer.

    Uitbreiden of Inkrimpen

    Hiermee wordt bepaald of de vorm wordt vergroot of verkleind om de randen de verzachten.

    Deze functie werkt het best op een enkele gevulde vorm zonder streek en kan de bestandsgrootte vergroten van een Animate-document en het resulterende SWF-bestand.

Alles uit het werkgebied verwijderen

  1. Dubbelklik op het gereedschap Gummetje in de werkbalk. Hiermee wist u alle soorten inhoud in het werkgebied en het plakbord.

Streeksegmenten of gevulde gebieden verwijderen

  1. Selecteer het gummetje en klik vervolgens op de optie Kraantje .
  2. Klik op het streeksegment of gevulde gebied dat u wilt verwijderen.

Wissen door slepen

  1. Selecteer het gummetje.
  2. Klik op de optie Gummodus en selecteer een wismodus:
    Regelaars Gummetje-modus
    Regelaars Gummetje-modus

    Normaal wissen

    Hiermee worden streken en vullingen op dezelfde laag gewist.

    Vullingen wissen

    Hiermee worden alleen vullingen gewist; heeft geen invloed op streken.

    Lijnen wissen

    Hiermee worden alleen streken gewist; heeft geen invloed op vullingen.

    Geselecteerde vullingen wissen

    Hiermee worden alleen de huidig geselecteerde vullingen gewist; geen invloed op streken, of ze geselecteerd zijn of niet. (Selecteer de vullingen die u wilt wissen voordat u gummetje in deze modus gebruikt.)

    Binnenste wissen

    Hiermee wordt alleen de vulling gewist waarin u de gumstreek begint. Wanneer u vanaf een leeg punt begint te wissen, wordt niets gewist. In deze modus heeft het gummetje geen invloed op streken.

  3. Klik op de optie Gumvorm en selecteer een gumvorm en -grootte. Zorg dat de optie Kraantje niet is geselecteerd.
    Gummetjevormen
    Gummetjevormen

    Gebruik de horizontale schuifbalk om de grootte van de vorm van het Gummetje aan te passen. 

  4. Pas de aangepaste vorm aan of verwijder deze. Klik op het pictogram Aangepaste gummetjevorm toevoegen naast het pictogram met het gummetje om uw aangepaste gummetjevorm te maken. Kies de vorm, hoek en vlakheid om de eigenschappen van de penpunt te definiëren. Klik op OK om de aangepaste vorm te maken.

  5. Sleep in het werkgebied.

Opties voor Druk en Overhellingmodus gebruiken

Voor meer en betere mogelijkheden bij het tekenen zijn de opties voor druk en overhelling toegevoegd aan het Gummetje.

Opties voor druk en overhelling
Opties voor druk en overhelling

Selecteer Gummetje en selecteer pictogram van de werkbalk om drukgevoeligheid in te schakelen of selecteer het pictogram  om overhellinggevoeligheid in te schakelen. De standaardwaarden zijn 1% en 100%. Dit komt overeen met de minimale en maximale waarden voor Druk/Overhelling.

Door de druk op of de hoek van het gummetje te veranderen, kunt u brede of minder brede streken maken met het Gummetje.

Hieronder ziet u ter illustratie een afbeelding met opties voor druk en overhelling:

Illustratie met opties voor druk en overhelling
Illustratie met opties voor druk en overhelling

Instellingen synchroniseren voor gummetje en penseel

U kunt ervoor kiezen om alle onderliggende instellingen, zoals druk, overhelling en puntgrootte en -vorm, te synchroniseren voor de gereedschappen Penseel (B) en Gummetje (E). Deze instellingen blijven behouden, zelfs wanneer u Animate afsluit en een nieuwe sessie start.

  1. Schakel het selectievakje Instellingen synchroniseren met penseel in voor het gummetje (E).
  2. De huidige instellingen van het gummetje (E) worden weerspiegeld in het penseel (B) en omgekeerd. De Wacom-pen gebruikt altijd de instellingen voor vloeiend maken van het penseel (B). De achterkant van de Wacom-pen gebruikt de penseelinstellingen wanneer het penseel (B) is geselecteerd. Voor elke ander gereedschap worden de instellingen voor het gummetje gebruikt.
Instellingen synchroniseren voor gummetje en penseel

Op actieve laag wissen

U kunt ervoor kiezen om het gummetje (E) alleen voor de actieve laag in te stellen.

Schakel het selectievakje Op actieve laag wissen in voor het gummetje (E).

Gummetje op actieve laag

Krijg sneller en gemakkelijker hulp

Nieuwe gebruiker?